Deel 3 - Berend Siegers vertelt over zijn ouders

Mijn vader stamde uit een kleermakersfamilie te Zuidlaren. Mijn opa vertelde dat hij al op jeugdige leeftijd met zijn vader als kleermaker de boer opging, gewapend met een persplank van ongeveer 75 cm, een strijkbout (die op de turfkachel verhit moest worden) en verder naaigerei. Het maken van kleren was zwaar werk vanwege het gebruik van oersolide stoffen, feitelijk bestand voor de eeuwigheid. Een vingerhoed was een absoluut noodzakelijk voorwerp. De kneepjes van het vak werden aldus doorgegeven in de familie en zo kreeg mijn vader een gedegen opleiding in het maken van ouderwetse, oerdegelijke boeren- en burgerkleding, o.a. klepbroeken (geen gulp, maar een klepsluiting) Hij voltooide zijn opleiding in de stad Groningen; eerst bij de bekendste kleermaker, werkende voor de upper-ten, daarna bij een baas die maatkleding maakte voor gerenommeerde kledingzaken (geen confectie dus). Hij werd een eerste klas kleermaker, gespecialiseerd in raglan- en pellerine- herenmantels, zelf ook tiptop gekleed naar de laatste mode.

Mijn moeder kwam uit een familie van keuterboeren en klompenmakers in Onnen. Haar vader overleed toen zij 4 jaar oud was en 8 jaar later hertrouwde haar moeder met Willem Pauwels, een gereformeerde weduwnaar, die niet al te gunstig bekend stond. Geertje ging toen op twaalfjarige leeftijd als intern hulpje bij de streng gereformeerde boer Jan Berends werken en later in 1964 als hulp in de huishouding bij het hervormde hoofd van de openbare school in Glimmen, een zekere Houwen, die haar op allerlei gebied heeft bijgeschaafd,. Hij bracht haar schrijven, wat algemene ontwikkeling en een burgerlijke levenswijze bij en ze leerde er de “burgerlijke pot” koken. Intussen was zij belijdend lid geworden van de Kockse Kerk met zijn strenge normen en toezicht op de naleving daarvan. Zij werd echter verliefd op mijn vader, deze knappe, vlotte jongeman altijd keurig gekleed, maar een branieschopper, levensgenieter en snoever zonder ruggengraat volgens het schoolhoofd. Ook mijn vaders familie in Zuidlaren juichte deze relatie niet toe.” Een gewone boerenmeid en nog gereformeerd op de koop toe”, klonk het in deze meer vrijzinnige familie, waarvan de vader zoals gezegd, kleermaker en tevens kerkvoogd was. Maar liefde is blind en deze vrijage liep uit op een gedwongen huwelijk. Het werd een vernederende gang van zaken, eerst tijdens een godsdienstoefening een openbare bekendmaking dat er voor het huwelijk hoererij bedreven was en daarna een stille kerkelijke voltrekking van het huwelijk in de consistoriekamer.
Een paar maanden later werd ik geboren en vestigde mijn vader zich als meester-kleermaker aan de Meerweg (toen Havenstraat). De zaak liep onmiddellijk goed, daar hij in het maken van boerenkleding en herenkostuums volgens de laatste mode zeer goed was met een specialisatie in herenjassen. Hij kreeg werk in overvloed, zodat mijn moeder hard moest meewerken. Dat was voor haar beslist geen pretje, zij was niet bedreven in het naaien en wat zij ook deed , het was nooit goed.

Maar er kwam een kink in de kabel; de eerste wereldoorlog brak uit en mijn vader werd als soldaat gemobiliseerd, kwam wel af en toe met verlof thuis, maar verloor zijn belangstelling in de kleermakerij. Hij volgde in diensttijd een cursus algemene ontwikkeling en het lag in zijn bedoeling na de oorlog commies, postbode, conciërge of iets dergelijks te worden, in ieder geval een baan met een vast salaris.
Door zijn aanhoudende afwezigheid moest mijn moeder geheel zelfstandig optreden, waardoor zij meer zelfvertrouwen kreeg. Ze moest de eindjes aan elkaar zien te knopen, het soldij van een soldaat was niet hoog en het was een grote zorg de noodzakelijke levensmiddelen te krijgen. Veel was op de bon, maar de ingestelde distributie was zeer primitief en er werd veel gezwendeld en bedrog gepleegd. Ik kan mij nog herinneren hoe ik met mijn moeder en mijn zusje Aaltje in de kinderwagen uren in de rij stond bij de slager voor een stukje “eenheidsworst”. Het leven van mijn moeder was verre van ideaal, de zorg voor het dagelijkse bestaan, de angst dat de Duitsers toch binnen zouden vallen en haar somber geloof en de donderpreken van de dominee hielpen daar niet bij!

Na de oorlog kreeg mijn vader een baan bij N.V. Laagspanningsnetten en moest hij meterstanden controleren en kwitanties innen, maar hij kreeg al gauw ontslag omdat enkele vrouwen hadden geklaagd over vrijpostigheden van zijn kant. Hij was weer totaal aangewezen op zijn kleermakerij, maar in 1926 lukte het hem koster van de gereformeerde kerk in Haren te worden. Het salaris was niet hoog maar er waren wel wat bijverdiensten zoals fooien bij trouwerij- en begrafenis-plechtigheden, het voor de koffie zorgen bij vergaderingen en feestjes en gratis licht en water in de kosterswoning, maar de kleermakerij moest hij nog steeds aanhouden. Het schoonhouden van de kerk en van de zaal kwam op mijn moeders schouders terecht, voor de siertuin er omheen draaiden mijn broertje Jan en ik op. Wel verzorgde Pa uitgebreid de tuin van de dominee en op zondag was hij ineens een vriendelijke en behulpzame man.
Toen mijn moeder een ernstige inzinking kreeg en ziek werd, moest er hulp komen eerst een nichtje en daarna een werkvrouw en ook wij, jongens leerden koken. Pa wist precies hoe alles moest maar deed niets. Is het een wonder dat mijn moeder zich vaak liet ontvallen dat mannen alles weten, maar niets kunnen en “mannen, mannen zijn alleen daarvoor!” wat ik dan weer niet begreep.

Sinds 1916 woonden we in een eenvoudige huurwoning aan de Kromme Elleboog, smalle gang, een voorkamer met 2 bedsteden en een keuken met één bedstee en een portaaltje bij de achterdeur naar een binnenplaatsje met een waterpomp. Aan de tuinzijde werd het plaatsje afgescheiden door een schuurtje, waarin een plé, een turfhok en een afgesloten kleermakerij. Alles in een soort Ot en Sien stijl. Tegen het einde van de oorlog was er een schrijnend gebrek aan woonruimte waardoor de huishuren omhoog schoten. Met behulp van een ver familielid konden wij de woning kopen en ook omstreeks die tijd kwam er ook een elektriciteit aansluiting, een lamp in de voorkamer en een lamp in de achterkamer/keuken. Het was een zogenaamde abonnementsaansluiting; er kon maar één lamp tegelijk branden. Was er visite in de voorkamer en ging Ma naar de keuken om koffie te halen, dan moest het licht in de voorkamer uit. Ondanks dat ongemak was het een hele verbetering op de petroleumlampen van voorheen.

Omstreeks 1922 werd de woning gemoderniseerd. Van de bedsteden in de voorkamer werd een alkoof gemaakt, waaronder een kelder voor aardappelopslag. Ook de bedstede in de achterkamer verdween en daar kwam een groot raam ; het schuurtje werd bij de woning getrokken en zo kwamen de kleermakerswerkplaats, de plé en de waterpomp binnenshuis. De waterpomp hoefde nu `s winters niet meer afgedekt met stro en aardappelzakken. Mijn broertje en ik gingen op de zolder slapen. De voorkamer was het heilige der heilige, alleen bestemd voor buitengewoon bezoek, zoals de dominee, ouderlingen of familie. Wij, kinderen mochten zonder verlof deze kamer niet betreden en als dat eens het geval was alleen op kousen voeten. Ma`s grote trots was een theemeubel met veel glas, waarin en waarop namaak chinees porselein, afgedekt met een tulen kleedje tegen het stof.

We hebben altijd zuinig geleefd met af en toe een uitspatting in de vorm van een stiekem potje voor een extra rokertje en borrel voor Pa en voor Ma mooie kleren en gouden sieraden die ze buiten medeweten van haar man zo goedkoop mogelijk kocht en die vaak een miskoop bleken. Voor zover ik weet hebben we nooit armoede gekend en in de loop der jaren viel er zelfs een zekere vooruitgang te bespeuren. Het beukenhout werd vervangen door eikenhout, de linnenkast door een buffet met veel geslepen glas. De klok op de schoorsteenmantel maakte plaats voor een pendulestel van marmer en namaak brons. Ook het beddengoed werd verbeterd, de lappendekens werden van zuiver wol, de strozakken vervangen door matrassen met zeegras en later kapok en tenslotte zelfs luidruchtige metalen springveren. In 1952 vond er nog eens een verbouwing plaats, nu werd het een éénkamer woning met aangrenzende slaapkamer, plus een moderne keuken.

Behalve de bijbel, een paar psalmboeken en wat ingebonden preken was er geen lectuur in huis. De bijbel lag op een tafeltje achter Pa`s rug en wij moesten hem het heilige boek om beurten plechtig aanreiken, als hij er na het eten uit ging voorlezen. Het Nieuwsblad van het Noorden was een verderfelijk blad en wilde hij absoluut niet in huis hebben, maar de christelijke krant las hij van voren naar achteren en omgekeerd, advertenties incluis. Eerst nadat er in Haren een christelijke bibliotheek kwam, kreeg Ma de leeswoede tot zijn groot ongenoegen, dat was maar verspilling van tijd.

In 1947 werd de noodwet Drees ingevoerd, zodat in 1952 toen mijn vader 65 werd en hij zijn AOW kreeg, hij meteen ontslag als koster van de kerk nam. Wel vond hij het onrechtvaardig dat iemand die zich voorbeeldig gedragen had evenveel AOW kreeg als iemand die zijn hele leven lang als een ketter gezopen had.
Moeder was lichamelijk niet sterk en kreeg kort voor haar overlijden een tweezijdige verlamming en bleef in coma. Eigenlijk een geluk voor haar, daar zij het godsdienstig zeer moeilijk had, zwaar op de hand en gebukt onder zwaar schuldbesef leefde zij aanhoudend in angst. Daar Pa licht begon te dementeren werd er naar een oplossing gezocht en kwam hij tenslotte in een geriatrische inrichting te Drachten terecht, waar hij vrij spoedig in 1967 stierf.