Zorg voor onze buren

Vroeger waren de mensen veel meer op elkaar aangewezen dan nu. Er waren toen geen wijkagenten. In het archief van Haren vond ik een verordening uit 1864 met regels voor hulp aan de buren.
In hoofdstuk vier: 'Van de nabuurschappen en nabuurpligten' staan die regels. Haren was in wijken ingedeeld. Iedere wijk had een 'buurtmeester' die verantwoordelijk was voor de naleving van de regels. Iedere inwoner, zowel man als vrouw, tussen de 20 en de 65 jaar moest nabuurplichten vervullen. Een duidelijk systeem. De naaste buur, zowel links als rechts van degene die hulp nodig had, was de eerst aangewezene om die hulp te bieden.
In artikel 34 staat: “Onder nabuurpligten worden verstaan, het verleenen van persoonlijke hulp en bijstand door ingezetenen onderling, bij sterfgevallen, in nood en dergelijke omstandigheden”.

Zo lees je in artikel 38: “Wanneer iemand in de nabuurschap is overleden, zijn de twee eerste naburen verpligt, om de andere naburen, welke nabuurpligten te verrigten hebben, daarvan tijdig kennis te geven. Zij zijn tevens verpligt, om in de nabuurschap, aanzegging van het overlijden te doen, en de naburen uit te noodigen, om het lijk op den dag van begrafenis, grafwaarts te volgen. Bij die gelegenheid zullen zij diegenen der naburen, die het lijk naar het graf moeten dragen, kennis geven van den tijd waarop deze zich in het sterfhuis zullen moeten bevinden”.
Het is strak geregeld. Artikel 40: “Bij het afleggen en kisten van een oude doode (personen boven de 14 jaren oud) zullen de zes naaste buren, hetzij mannen of vrouwen, tegenwoordig moeten zijn. Voorts zal het afhalen der kist, alsmede het overkleeden, en het in de kist leggen van overledenen van het mannelijk geslacht, moeten geschieden door mannen, boven de 20 jaren oud; en het ontkleden en kisten van overledenen van het vrouwelijk geslacht, door gehuwde of gehuwd geweest zijnde vrouwen, of ook door ongehuwde dochters, boven de 20 jaren oud”.
Artikel 43 bepaalt: “De vier naaste buren, volgende op de beide eersten zijn verpligt de grafstede op de begraafplaats te openen, alsmede te zorgen, dat de lijkbaar buiten de poort aan de ingang van de begraafplaats aanwezig zij en na afloop der ter aarde bestelling op zijnen bewaarplaats wordt teruggebragt. De jongste der vier naaste buren, zal vierentwintig uur voordat de begrafenis zal plaats hebben, bij den opzigter over de begraafplaats, aanwijzing van het graf verzoeken”.

Respect moest worden getoond zoals blijkt uit artikel 44: “Een oude doode zal door tien en een jonge door zes manspersonen der naaste geburen ter aarde worden besteld, indien het lijk des middags te 12 uren wordt begraven, van welke twee, gedurende de begrafenis, de torenklok zullen moeten luiden en acht of vier personen het lijk grafwaarts dragen en het graf digten.
Wanneer de begrafenis op een ander uur mogt plaats hebben, en de torenklok niet mag worden geluid, zullen er twee personen minder in dienst behoeven te zijn. Indien echter het lijk, uit hoofde van te groote afstand van de begraaf­plaats, of de slechte gesteldheid van de weg, niet gevoeglijk daarhenen kan gedragen worden, ter beoordeling van den wijkmeester, zal hetzelve door den paardenhouder uit de naaste naburen, met een wagen, bespannen met twee paarden, naar de begraafplaats worden gevoerd. In dat geval zullen de dragers verpligt zijn, om, zoodra het lijk door hen, uit het sterfhuis op den wagen zal zijn geplaatst, zich naar de begraafplaats te begeven ten einde het lijk aldaar te ontvangen en naar het graf te dragen.
Wanneer echter de paardenhouder tot die naburen mogt behoren uit wier huis een drager moet geleverd worden, zal hij voor het leveren van eenen wagen en de paarden en het doen vervoeren van het lijk, van de dienst als drager bevrijd zijn”.

Jan Offereins