Adieu

U zult het mij denk ik niet euvel duiden als ik ook in deze column even stil sta bij het einde van de gemeente Haren. In het bijzonder richt ik mij dan op de ambtelijke organisatie van de gemeente. Veertig jaar heb ik van die organisatie deel uit gemaakt en vijftien jaar heb ik er met veel plezier leiding aan mogen geven. Vandaar mijn ‘adieu’ aan mijn oud collega’s. Ik wens ze toe, dat ze in de organisatie van de nieuwe gemeente een passend plekje zullen vinden.

Hoe oud is de ambtelijke organisatie van de gemeente eigenlijk? We kunnen ons dat misschien moeilijk voorstellen, maar de gemeente heeft het van 1811 tot ongeveer 1890 zonder ambtenaren gedaan. Met één uitzondering: de gemeenteveldwachter. De organisatie van de gemeente in de eerste decennia van haar bestaan, heb ik wel eens vergeleken met een kleine sportclub. Bij zo’n organisatie worden de bestuursleden geacht zelf de handen uit de mouwen te steken. Bij de gemeente was dat niet anders. De burgemeester, de wethouders en ook de raadsleden moesten allerlei uitvoerende taken zelf verrichten. De burgemeester vervulde de meeste rollen. Hij was de ambtenaar van de burgerlijke stand. In die functie maakte hij alle akten op van geboorte, huwelijk en overlijden. Ook alle correspondentie liep via de burgemeester. Hij schreef alle uitgaande brieven. Tenslotte was hij hoofd van de politie. Daarbij had hij assistentie van de veldwachter, maar die kon nauwelijks schrijven. Bij alle inbraken, vechtpartijen, branden en ongevallen had de burgemeester een leidende rol. Bij een nachtelijke brand was hij de volgende ochtend al vroeg aanwezig en bij een inbraak ging hij onmiddellijk ter plaatse onderzoek doen. De wethouders en raadsleden hadden de zorg voor een eigen deel van de gemeente. Als bijvoorbeeld toezicht moest worden gehouden op de bouw van een bakkerij in Noordlaren, werd die taak toegewezen aan het raadslid uit dat dorp. Eén van de wethouders was oppercommandant van de brandweer en raadsleden waren dan weer commandant in hun dorp of wijk.

Rond 1890 zijn bij de gemeente twee ambtenaren in dienst. In 1896 wordt een part/time gemeentearchitect aangesteld. Een functie die uiteindelijk zal uitgroeien tot directeur gemeentewerken. De burgemeester is tot 1907 tevens gemeentesecretaris. De eerste gemeentelijke wegwerker wordt aangesteld in 1920. Vervolgens groeit de organisatie snel door. Er komen meer inwoners en de gemeente krijgt meer taken.

In 1940, bij het begin van de oorlog telt de gemeente ruim veertig medewerkers in de binnen- en buitendienst. Deze medewerkers hebben tot taak het gemeentebestuur zo goed mogelijk te ondersteunen en voorts ten dienste te staan van de inwoners van de gemeente. Meestal levert die dubbele loyaliteit geen problemen op, maar in de oorlog wordt dat geleidelijk anders. Alle aanleiding om hier - op dit moment van afscheid - aan deze bijzondere periode aandacht te geven.

In augustus 1942 wordt de gemeenteraad op non-actief gesteld. De wethouders Willem Remminga en Cornelis Strating moeten aanblijven, maar daar voelen zij niets voor. Zij dienen bij de commissaris in de provincie een verzoek tot ontslag in, dat overigens pas in januari 1944 wordt ingewilligd. Op 20 mei 1943 wordt burgemeester Hubert Nauta ontslagen en – na een korte interim-periode - per 1 juli 1943 vervangen door de NSB’er Otto Frederik Pieter Hendrik de Waard. Nu liggen de kaarten voor de medewerkers helemaal duidelijk. Ondersteuning van het gemeentebestuur is niet meer identiek aan goede dienstverlening aan de inwoners.

Reeds in februari 1943 hebben alle medewerkers van de gemeente een brief ondertekend aan de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen gedwongen tewerkstelling van ambtenaren in Duitsland. Het helpt niet. Enkele medewerkers, waaronder de latere chef Algemene Zaken Eppo Steenmeijer, duiken onder. Een aantal ambtenaren komt in verzet. Zo zorgen ze voor vervalste persoonsbewijzen en helpen bij de fraude met bonkaarten ten behoeve van onderduikers. Op vrijdag 23 juli 1943 vindt een overval plaats op het gemeentehuis met de bedoeling om het bevolkingsregister te vernietigen. Hieraan werkt ook een aantal ambtenaren mee, onder andere Boelie Heijes. Een groot aantal kaarten uit het bevolkingsregister wordt in brand gestoken. Helaas blijkt later het effect gering.

In november 1944 is voor de medewerkers de maat vol als lijsten moeten worden opgesteld voor personen die graafwerk voor de Duitsers moeten verrichten. Gemeentesecretaris Pieter Wierenga deelt de burgemeester mee, dat hij en de medewerkers tot het opstellen van die lijsten niet bereid zijn. De burgemeester roept daarop op 16 november 1944 alle medewerkers bij elkaar en vraagt ze nogmaals één voor één om medewerking. Niemand zwicht voor zijn druk, hoewel iedereen beseft, dat aan het ‘nee’ grote consequenties verbonden zijn. Dat blijkt, want direct na de weigering schakelt de burgemeester de SD in. De medewerkers wachten de komt van de SD niet af. Ze hebben hun onderduik al voorbereid en vluchten snel weg uit Haren.

Op weg naar zijn onderduikadres in Drenthe wordt gemeentesecretaris Wierenga bij Vriezerbrug aangehouden. Nadat duidelijk is, welke rol hij in Haren heeft gespeeld, wordt hij ter plekke doodgeschoten. Loco-secretaris Teije de Jong vlucht richting Friesland. Hij neemt zijn zoontje mee. Dat blijkt bij aanhouding een goed alibi en hij slaagt er in zijn onderduikadres te bereiken. De Duitsers richten zich vervolgens nog wel op zijn in Haren achter gebleven vrouw en kinderen. Zij worden enige tijd opgesloten in de gevangenis en maken angstige dagen door. Gemeentearchitect Ulbe Nieuwenhuis duikt met zijn gehele gezin onder in de omgeving van Veendam. Medewerker Eemke van de Veen, die actief betrokken is bij het verzet, wordt op 2 maart 1944 gearresteerd en op 22 augustus 1944 in kamp Vught gefusilleerd.

Wij kijken nu op de gebeurtenis op 16 november 1944, terug als een ‘heroïsche’ periode uit de geschiedenis van de ambtelijke organisatie. Door de betrokkenen wordt dat na de oorlog niet zo beleefd. Gemeentearchitect Nieuwenhuis, een rechtlijnige Fries met duidelijke standpunten, zag het bij een terugblik op de oorlogsjaren zo: “Toch kan ik niet eindigen zonder mijn gemoed te luchten over onze ontvangst. Van een ontvangst op het gemeentehuis of iets dergelijks was geen sprake, van een verzorging van onze geestelijke en maatschappelijke behoeften evenmin. Een hulpvaardige houding van de bevolking heb ik evenzeer niet waargenomen, uitgezonderd het medeleven van enkele eenvoudigen, en met dit al rijst de vraag of een gemeente als Haren onze offers waard is of was. Ware het niet, dat je voor je eigen geweten de verplichting voelde een punt te moeten zetten achter bepaalde dingen, dan zou mijn antwoord op de vraag hierboven ‘neen’ luiden”.

Tijd voor een rustige verwerking van de ervaringen was er na de oorlog inderdaad niet. Reeds in een eerdere bijdrage schreef ik, dat burgemeester Nauta op 14 april 1945 kort in zijn functie terugkeerde, maar op 3 mei 1945 al weer op non-actief werd gesteld. En dan is er ook nog de procedure rond de opvolging van Pieter Wierenga als gemeentesecretaris. Ook die procedure verloopt met veel hectiek en onbegrip. Maar dat vergt een apart verhaal.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Deze column is eerder gepubliceerd in het Harener Weekblad op 19 december 2018.