Vergeten bruggen, deel 2

Bij historisch onderzoek moet je steeds kritisch blijven op jezelf. Klopt het wat je schrijft, heb je niet te snel conclusies getrokken. Steeds liggen valkuilen op de loer. Het overkwam mij bijna met de ‘vergeten bruggen’. In mijn vorige column toonde ik een mooie foto van de brug over het Noord-Willemskanaal bij de Rollematen. Voordat ik die foto in handen kreeg, had ik al teksten gevonden over een brug over het Noord-Willemskanaal. Voornamelijk een brief van de landbouwers Jan Antonie van Hemmen en Hindrik Meijer uit 1842. Dat was bingo meende ik: teksten en foto samenvoegen tot een mooi verhaal. Gelukkig kwamen op tijd de twijfels. Hoe kan een brief uit 1842 nu passen bij een brug, die pas in 1862 gebouwd is? De brief moest dus over een andere brug gaan.

Eerst maar eens de tekst van de brief. Jan Antonie van Hemmen en Hindrik Meijer schrijven deze brief aan Gedeputeerde Staten. Zij verklaren, dat zij eigenaren zijn van de klapbrug liggende over het Hoornsche Diep achter het dorp Haren, ongeveer 200 passen ten zuiden van de aldaar geplaatste draaibrug. Dat die klapbrug oud is en dat zij hem wensen te vervangen door eene draaibrug van gelijke capaciteit. Dat die klapbrug nergens anders toe dient, dan tot overrid, teneinde naar en van hun land te komen. Dat de klap ten gerieve van de scheepvaart altijd op staat en door sterken wind veel te lijden heeft, hetgeen met een draai minder onderhoud zoude kosten. Dat zij daarom verzoeken om in plaats van de klapbrug een draaibrug te mogen plaatsen. In hun brief geven de beide aanvragers al een belangrijke aanwijzing. Hun brug ligt 200 passen ten zuiden van de aldaar geplaatste draaibrug. Daarmee bedoelen ze de voetbrug van de familie Nijdam, waar ik in mijn vorige column al over schreef.

Zou die brug ook op een kaart staan? Ik doorzoek wat oude kaarten. Onder andere die van Beckering uit 1781 en een detailkaart, die Beckering maakte als voorstudie van zijn kaart. En daar staat de brug op. Twee kleine streepjes dwars op het Hoornsediep. De kaart van Beckering ziet u hierboven met bij de pijl de zwarte streepjes. Ik heb ook nog een detail weergegeven van de kadastrale kaart uit 1830. Ook daar staat de brug op. De boerderijen van Van Hemmen (paars) en Meijer (rood) heb ik op deze kaart met cirkels aangegeven. De boerderij van Van Hemmen stond midden in de huidige Molenbuurt. De woning Rijksstraatweg 79 net ten noorden van de Molenbuurt en het nieuwe bedrijventerrein is de ‘nazaat’ van de boerderij van Meijer.

Nu wordt ook duidelijk waar de brug voor diende. In vroeger tijden liep de Drentse A met een grote westelijke boog richting het noorden. Die boog werd ook de grens tussen het Gorecht en het Landschap Drenthe en dat is nog steeds zo. Zij het, dat we het nu hebben over de provincies Groningen en Drenthe en de gemeenten Groningen en Tynaarlo. In heel vroeger tijden zal de A wel door het huidig Paterswoldsemeergebied hebben gelopen, maar dat is op geen enkele kaart terug te vinden. De bekende loop is, dat de A bij het huidige café Frieschenveen uitkwam op de Schipsloot en vandaar in oostelijke richting liep richting het huidig verloop van het Hoornsediep. Het is op de beide kaartjes duidelijk te zien. Let wel op, het laatste rechte stukje van de Schipsloot naar het Noord-Willemskanaal dateert pas van 1907. Vanaf hun brug konden Van Hemmen en Meijer dus ongehinderd de landerijen bereiken in het gebied wat later de polder Oosterland werd genoemd. Als u met het kaartje in de hand bij de huidige Meerwegbrug gaat staan, is de oude situatie nog goed herkenbaar. De verhoudingen op de kaart van Beckering kloppen niet helemaal (het Paterswoldsemeer is bijvoorbeeld veel te smal weergegeven), maar de elementen, die hij aangeeft zijn allemaal correct.

De aanleiding voor de brug is dus waarschijnlijk dezelfde als bij de brug de Rollematen. De landerijen worden door een kanaal doorsneden en om ze toch bereikbaar te houden, was een brug nodig. Maar wanneer is nu het Hoornsediep gegraven tussen (ongeveer) het Huis te Glimmen en de uitmonding van de Schipsloot? Ik kan dat nergens vinden. Iedereen erkent, dat we hier te doen hebben met een gegraven waterloop, maar nergens een jaartal. Niet in het standaardwerk van Theo Spek cs over de Landschapsbiografie van de Drentsche Aa en ook de zogenaamde schoolmeester rapporten uit 1828 helpen mij niet verder met de volgende beschrijving “Ten westen van Haren stroomt de Drentsche Aa of het Hoornsche Diep, waarin eene scheepvaart vanaf Paterswolde langs de Hoornschendijk (daar den Neerwoldschen dijk genaamd) loopt en noordwaarts naar Groningen stroomt, waar dit diep zich met de Hunze vereenigt. Voor de graving van het gedeelte van dit diep vanaf Glimmen tot achter Haren, zijnde genoegzaam eene regte lijn, liep de Drentsche Aa in eene kronkelende rigting naar het noordwesten door het lage land achter den Hoornschendijk en vervolgens weer noordoostelijk in het tegenwoordige diep ter plaatse waar hetzelve weer kronkelend loopt. Dit gedeelte van de Drentsche Aa is thans een moeras en wordt de Oude Aa genoemd”. Intrigerend is nog wel, dat de Harense schoolmeester Lubertus van Oosten bij de beschrijving van dit gebied nog de volgende opmerking maakt “ten zuidwesten van Haren in het zoogenaamde Oosterlage land een kleine hoogte, de Aaksterberg genoemd”.

Als in 1860 het Noord-Willemskanaal wordt aangelegd en het Hoornsediep tussen Glimmen en Haren verbreed moet worden, ligt de brug van Van Hemmen en Meijer er nog steeds. Bij de inventarisatie van knelpunten wordt over de brug het volgende vermeld: “Deze draaibrug bestaat al sedert onheuglijke tijden en is geene concessie tot daarstelling bekend. De eigenaren hebben er niet tegen, dat de doorvaartwijdte op 6 el worde gebragt, mits buiten hunnen last”. Onheuglijke tijden dus, laten we het daar maar op houden.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr 8.