Het knaapje Abraham

Op 31 juli 1871 schrijft burgemeester Jorissen van Haren het volgende aan zijn collega van de gemeente Ten Boer: “In de maand december 1870 is met de Noorderzon van hier vertrokken Johannes de Haaze, polder of spoorwegwerker, onverzorgd achterlatende drie kleine kinderen, welke toen, verlaten als ze waren, vanwege het burgerlijk armbestuur alhier zijn opgenomen en tot heden verzorgd geworden. Ik verneem van een rijksveldwachter, dat genoemde De Haaze in uwe gemeente woonachtig is, tenminste verblijf houdt in een keet te Woltersum. Dientengevolge neem ik de vrijheid de bedoelde kinderen naar u toe te zenden, met verzoek hen bij hunne vader te doen bezorgen”.

Rond 1870 bruiste het van de activiteiten in onze regio. Er werd een groot aantal projecten betreffende de infrastructuur gerealiseerd: het Noord-Willemskanaal, de spoorlijnen naar Leeuwarden, Winschoten en Meppel en het Eemskanaal. En op wat kleinere schaal binnen de gemeente Haren: het Harener vaartje, de weg van Haren via Onnen naar Noordlaren, de Stationsweg naar de nieuwe Spoorweghalte en de verharding van de Kerkstraat te Haren.

Voor al die activiteiten waren veel arbeiders nodig en die kwamen vaak van einde en verre. Vooral de polderwerkers, die met een schep en een kruiwagen dijken aanlegden en kanalen groeven waren een apart slag volk. Meestal zonder vaste verblijfplaats trokken ze van project naar project. Ook Johannes de Haaze behoorde tot deze groep. Na de afronding van de werkzaamheden aan het Noord-Willemskanaal zal hij wel naar Woltersum zijn vertrokken om daar te gaan werken aan het Eemskanaal.

Nu was het uiteraard niet zo netjes van Johannes de Haaze om drie kinderen onverzorgd achter te laten. Maar wellicht zag hij geen andere uitkomst. Wat in deze zaak opvalt, is dat de burgemeester van Haren wel hoog van de toren blaast, maar zich niet houdt aan een belangrijke grondregel: ‘kijk eerst eens in het archief, voordat je met een zaak aan de slag gaat’. Als burgemeester Jorissen, dat wel had gedaan, had hij kunnen vaststellen, dat Johannes de Haaze op 6 maart 1869 aangifte had gedaan van het overlijden van zijn vrouw Janna Lampe. Dat werpt al een wat ander licht op de zaak. Veel ellende had hij ook kunnen voorkomen door zijn correspondentie van de laatste jaren nog eens door te nemen. Misschien had hij zich ook wat meer kunnen verdiepen in de gezinssituatie van Johannes de Haaze. Wat waren dat voor kinderen?

Nadat de drie kinderen vanuit Haren naar Ten Boer waren gezonden, wordt een kind – aangeduid als A. de Fij – weer naar Haren terug gezonden. Dat kind hoort niet bij het gezin van Johannes de Haaze, is het bericht vanuit Ten Boer. Vervolgens wordt het kind slachtoffer van een vervelend steekspel. Op 14 augustus 1871 schrijft de burgemeester van Haren aan zijn collega van Ten Boer: “dat het kind genaamd A. de Fij ons weder door u toegezonden, thans weder door ons aan den pleegvader De Haaze is terug gezonden, onder te kennen geving, dat wij weigerachtig blijven dat kind te ontvangen”. Een dag later bezorgt de veldwachter van Ten Boer het kind al weer aan het armenhuis te Haren “met te kennen geving aan de opzigter (van het werkhuis), dat hij dat kind moest ontvangen en dat alles in orde was”. Burgemeester Jorissen is zeer ontstemd over deze “slinkse” wijze van handelen en schakelt de Commissaris des Konings in. Totdat de Commissaris heeft beslist mag het “knaapje”, zoals het kind nu door Jorissen wordt aangeduid, vooreerst in het armenhuis in Haren blijven.

Uit de verdere correspondentie wordt nu geleidelijk duidelijk wat er aan de hand is. Het betreffende ‘knaapje’ heet Abraham de Veij. Hij is in 1862 geboren te Groede in Zeeuws-Vlaanderen. Daar komt ook Johannes de Haaze vandaan. De ouders van Abraham zijn beide overleden. Zijn vader in 1865 en zijn moeder in januari 1868. Daarom heeft het armbestuur van Groede hem ter verzorging toevertrouwd aan Johannes de Haaze en zijn vrouw. De beide andere kinderen zijn van De Haaze zelf. Blijkbaar ziet De Haaze na het overlijden van zijn vrouw de verzorging van een pleegkind niet meer zitten. Burgemeester Jorissen had dit allemaal kunnen weten, als hij wat eerder in zijn archief gekeken had. Nu komt hij in september 1871 richting de Commissaris des Konings wel met twee brieven op de proppen van het armbestuur van Groede aan het gemeentebestuur van Haren: een van juli 1868 en een van augustus 1870. Bij beide brieven stuurt men vanuit Groede een postwissel van f.10,- mee met het verzoek er voor te willen zorgen, dat dit bedrag aan De Haaze wordt uitbetaald als vergoeding voor de zorg voor Abraham de Veij.

De aangelegenheid wordt nu onderwerp van een briefwisseling tussen de provinciebesturen van Groningen en Zeeland. De uitkomst daarvan is, dat Abraham terug moet naar Groede om daar door het armbestuur verder verzorgd te worden. Maar hoe krijg je een jongetje van 9 jaar vanuit Haren in Groede? Daarvoor schakelt burgemeester Jorissen de politie in. Onder begeleiding van een rijksveldwachter zal Abraham naar Rotterdam worden gebracht. De Commissaris van Politie te Rotterdam wordt vervolgens verzocht het verder transport naar Groede te regelen. De kosten mag hij bij de gemeente Haren in rekening brengen (die ze dan stellig weer in rekening zal brengen bij het armbestuur van Groede). En zo reist Abraham op 4 december 1871 vanuit Haren naar Rotterdam. Waarschijnlijk via de net gereed gekomen spoorlijn.

Blijkbaar heeft Abraham alle ellende redelijk doorstaan. Hij trouwt in 1891 te Vlissingen met Grietje Dingemanse. Hij vindt een baan als machine reparateur in Schiedam. Daar overlijdt hij op 23 juli 1947, 85 jaar oud.

Op de foto een deel van het Noord-Willemskanaal waaraan Johannes de Haaze heeft gewerkt. Het bruggetje op de voorgrond ligt over de uitmonding van het Helperdiepje in het kanaal. Tot 1915 lag hier de grens tussen de gemeenten Groningen en Haren. Nu ligt op de locatie van de foto het Julianaplein. Waarschijnlijk stonden de keten van de polderwerkers nabij het bruggetje op grondgebied van de gemeente Haren. U vindt deze foto ook op www.beeldbankgroningen.nl

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr 14.