Oplichterstruc

Als je genealogisch onderzoek doet, ben je blij als je personen tegenkomt, die of heel rijk zijn of heel arm. Rijke personen hebben meestal onroerend goed en arme personen krijgen meestal bijstand van de diakonie. Dat levert registraties op in de archieven. Nog mooier wordt het, als personen op het verkeerde pad zijn geraakt, want dan kun je informatie vinden in de rechterlijke archieven.

Hendrik Lammerts Smid (ook wel Smit) is zo’n figuur. Hij wordt geboren op 8 april 1817 op het adres Middelhorst A35. Dat adres behoorde bij een kleine boerderij op het stukje van de Middelhorsterweg tussen de Stationsweg en de Nieuwe Stationsweg en dan aan de oostzijde. Dit gebied werd ook wel aangeduid als Zwijnekampen. Hier werden dus blijkbaar de varkens van het dorp Haren geweid. In Haren zijn veel straten vernoemd door historische toponiemen, maar de naam Zwijnekampen is bewust overgeslagen. Historisch zou de naam goed passen bij de straat Ossewei in de Stationsbuurt. Maar ja, een os heeft bij ons een positievere associatie dan een varken.

De ouders van Hendrik zijn Lammert Smid en Grietje Hoving. Zij zijn afkomstig uit Eelde en kopen het boerderijtje A35 met enig land in januari 1815 voor f.2.340,- op een publieke veiling van de familie Buirma uit Helpman. Deze familie heeft het in 1807 geërfd van de ongehuwde luitenant-kolonel ingenieur Rudolph Rummerink (wonende op huidig adres Kromme Elleboog 5 te Haren). Voor de financiering van de aankoop moeten Lammert en Grietje wel een lening sluiten van f.1.600,-.

Als Lammert in 1845 overlijdt, verkoopt Grietje met haar vijf kinderen het boerderijtje op 19 februari 1846. Een van deze vijf kinderen is de genoemde Hendrik Lammerts Smid. Ook zijn zus Annegien wil ik maar direct even genoemd hebben. Zij is gehuwd met Jan Geerts Buivinga. Na de verkoop in 1846 kan ik Hendrik Lammerts Smid niet meer relateren aan onroerend goed. Gelukkig voor onze geschiedschrijving raakt hij op het slechte pad.

In het voorjaar van 1850 wordt Hendrik betrapt bij het stelen van schensen (= takkenbossen). Er volgt dan een strafzaak. Alvorens met die zaak te beginnen wil de officier van justitie van de burgemeester weten ter welker naam en faam Hendrik bekend staat. Het antwoord van burgemeester Rudolf de Sitter is veelzeggend. “Ik heb de eer te doen dienen, dat alhoewel er vroeger geen regtstreeksche klagten omtrent bepaalde overtredingen tegen Hendrik Smid zijn ingekomen, er toch altoos omtrent zijn gedrag onzekerheid heeft bestaan, zoodat het bekend worden van het ontvreemden der takkebosschen, waardoor hij thans te regt staat bij niemand bevreemding baarde en slechts eene bevestiging was van het algemeen op hem rustende vermoeden. Tot welk vermoeden dan ook in zooverre goede gronden aanwezig waren, dewijl hij een talrijk huisgezin (vrouw en 5 kinderen) heeft te onderhouden en gewoonlijk niet werkte en toch altijd van geld voorzien was en een paard hield, waarmede hij wekelijks naar de markt voer en hout verkocht zonder dat hij zelve hout op gewas had en dus niet anders konde ter verkoop bezitten, als die schensen welke hij bij het vellen van eikenhout dezer winter mogt hebben voor gehouden. Indien evenwel zijn talrijk huisgezin en de omstandigheid dat hij vroeger niet is beklaagd geweest ter verlichting zoude kunnen worden aangevoerd, zoude zulks wenschelijk zijn, want door zijne verwijdering wordt dit gezin ook geheel verlaten zonder verzorging en diensvolgens armlastig.” Ondanks de laatste opmerking van de burgemeester komt Hendrik er niet zonder gevangenisstraf voor de diefstal af. Toch is het stelen van de takkenbossen slechts een voorspel van wat in hetzelfde jaar nog zal volgen.

In december 1850 is de nood hoog bij het gezin van Hendrik. Ook zijn zwager Jan Buivinga (gehuwd met de boven genoemde Annegien Smid) heeft het moeilijk. De beide zwagers bedenken een plan om aan bonen te komen. Hun opzet is de volgende. Hendrik gaat naar een winkel in Groningen. Daar doet hij zich voor als een welvarende landbouwer uit Haren. Hij koopt wat kleine luxe spulletjes en verklaart vervolgens, dat hij ook nog wel een halve mud bonen wil kopen. Een paar dagen later komt hij terug met een zak, waar de bonen in gedaan kunnen worden. Voorts verklaart hij, dat een voerman uit Haren de zak later op de dag op zal komen halen. Hij koopt opnieuw wat kleinigheden en zegt, dat hij later die dag terug zal komen om ze op te halen en dan ook zal betalen. Een paar uur later meldt Buivinga zich met een paard en wagen bij de winkel. Hij verklaart de bestelde bonen op te komen halen. “Hij zeide, dat de koper van de bonen nog wel langs zoude komen. Dat hij een betrouwbaar man was en gewoonlijk laat uit de stad naar huis ging en dat hij nu buiten de Boteringepoort was”. Deze truc halen de beide zwagers uit bij drie winkels. In ten minste een geval verklaart Buivinga, dat zijn opdrachtgever de bekende landbouwer Bolhuis, wonende achter de kerk in Haren is.

Als winkelier Mees van zijn winkelbediende Geert de Vries verneemt, dat deze zich bij de neus heeft laten nemen, stuurt hij hem dadelijk naar Haren. Samen met veldwachter Harmannus de Groot gaat De Vries in Haren op onderzoek uit en omdat de veldwachter in Haren zijn Pappenheimers wel kent, zijn Hendrik Smid en Jan Buivinga snel gevonden. De beide heren ontkennen aanvankelijk nog, maar na enig aandringen, geeft Buivinga toe. Hendrik Smid blijft ontkennen ooit in winkels in Groningen te zijn geweest. Maar er zijn genoeg getuigen om die ontkenning te weerleggen.

Op 16 januari 1851 staan Hendrik Smid en Jan Buivinga terecht voor de rechtbank in Groningen. De rechtbank overweegt: “Dat de beklaagden geacht moeten worden door aanwending van het bedrieglijk bestellen der andere koopwaren, waardoor de hersenschimmige hoop van betaling der beide partijen bonen werd verwekt, zich die partijen te hebben doen afgeven. Hebbende tot plegen van beide feiten ook gediend het door den beklaagde Buivinga gebruik maken van valsche qualiteit en bijzonder in één geval het gebruik maken door den beklaagde Smit van een valsche naam”. Dat levert het wanbedrijf op van oplichting, en daarvoor krijgen beide heren een jaar gevangenisstraf en een boete van f.25,-.

Het valt in veel meer strafzaken in de 19e eeuw op, hoe knullig ze in elkaar zitten. Waarom hebben Buivinga en Smid bijvoorbeeld verklaard, dat ze uit Haren kwamen? Daar waren ze waarschijnlijk toch al bekend als de bonte hond. Nu werd het de winkeliers met ondersteuning van de veldwachter wel erg makkelijk gemaakt om het tweetal te achterhalen. Was het de uitzichtloosheid van de maatschappelijke situatie en de overschilligheid ten aanzien van de mogelijk aan de daad verbonden straf, die tot zulke domme misdrijven leidde?

Volgende keer zullen we Hendrik Smid ten tonele voeren als de eerste inwoner van Tuindorp.

Tekst bij de afbeelding: de rechtbank in de Oude Boteringestraat te Groningen ca 1860 (bron Beeldbank Groningen).

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr 20