Kinderdoding

Deze keer een gevoelig onderwerp: kinderdoding. Dit is een wat algemenere term dan kindermoord. Moord veronderstelt voorbedachte rade en daar is bij kinderdoding niet altijd sprake van. Er zijn landen waar vooral het doden van jonge meisjes nog steeds voorkomt. Dit valt af te leiden uit het feit, dat in de bevolkingssamenstelling van die landen het aantal jongens onnatuurlijk hoger is dan het aantal meisjes. In ons land komt kinderdoding slechts sporadisch voor en een dergelijk geval trekt bij ontdekking veel aandacht. In de historie van de gemeente Haren ben ik een aantal gevallen tegen gekomen.

Het eerste geval dateert van 1814. De 20-jarige Richardina Hajema, dienstmeid bij landbouwer Jan Bazuin, wordt er dan van beschuldigd, dat zij door verzuim, onvoorzichtig en achteloos gedrag de dood van haar kind heeft veroorzaakt, waarvan zij in de vroege morgen van de derde september 1814 ten huize van haar broodheer was verlost. Het kind blijkt gestorven door geweld aan het hoofd. De rechter oordeelt, dat er geen sprake is geweest van opzet, maar dat de dood van het kind Richardina wel aan te rekenen is. Zij wordt veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en een forse boete van f.250,-. Als je de stukken leest, denk je: en wat was dan de rol van Jan Bazuin? Had hij ook niet een beetje op kunnen letten? Het komt echter niet aan de orde. Een aangifte van geboorte of overlijden van het kindje heb ik niet kunnen vinden.

Op 30 april 1830 zijn een aantal kinderen op het vee aan passen op het heideveld tussen Harenermolen en Glimmen, waarschijnlijk in de omgeving van de huidige Oude Boerenweg. Zij vinden in een oud wagenspoor een spanen doos met een touwtje er om heen. Een van de kinderen, Zwaantje Oosterveld uit Glimmen, maakt de doos voorzichtig open. Dan schrikken ze enorm, in de doos zit het lijkje van een baby. Snel zetten ze de doos weer terug en roepen om hulp. Ene Frouke, dienstmeid van Berend Gerrits Kroese (van de Meentweg 22 te Glimmen) is de eerste, die op het geroep afkomt. Op haar beurt waarschuwt Frouke de landbouwer Jacob Bolhuis Everts (van de Hoge Hereweg 6 te Glimmen), wiens zoon Freerk Everts een van de kinderen op het heideveld is. Met zijn knecht Aldert Buringa rijdt Bolhuis op een boerenwagen snel naar de kinderen toe. Inmiddels is daar ook al wever Harm Wolters (van Rijksstraatweg 82 te Glimmen) met zijn knecht Berend. De laatste heeft in de doos gekeken en bevestigt, dat het inderdaad om een dode baby gaat. ’s Avonds haalt Jacob Bolhuis Everts de doos samen met veldwachter Roelf Rademaker op. Zij deponeren de doos met de lugubere inhoud in het gemeentehuis. De burgemeester moet nu zorgen voor de verdere afwikkeling. Hij hoort de volgende dag alle betrokkenen en stelt daarvan processen verbaal op. Stellig zal hij ook dorpsdokter Oosting een rapport hebben laten opstellen. Vervolgens stuurt hij de doos ‘benevens de verdere informatiën en onderzoek deswege door ons ingewonnen en gedaan’ naar de Officier van Justitie in Groningen. Voor de gemeente Haren is de zaak daarmee gesloten. Van de identiteit van de baby en de dader heb ik niets kunnen vinden.

In november 1846 vindt de landbouwer Hendrik van Hemmen, wonende aan de Hoornsedijk (nu locatie Maartenshof in de stadswijk Hoornsemeer) de overblijfselen van een pasgeboren kind. Verder dan een aangifte komt deze zaak niet.

Op 3 juni 1867 meldt het Algemeen Handelsblad, dat op 1 juni 1867 in het tot de gemeente Haren behorende gehucht Helpman een gruwelijke moord is ontdekt. Twee gehuwde lieden, waarvan de vrouw voor enige dagen bevallen was, zouden hun kind hebben doen verstikken en het vervolgens in een voor hun woning staand schapenhok onder de mest in de grond verborgen hebben. Als de zaak op 4 december 1867 voor de rechtbank behandeld wordt, blijken de zaken wat genuanceerder te liggen. De vrouw, Jantje Ruuls, heeft haar zwangerschap voor haar man verborgen gehouden. Nadat ze begin mei heimelijk is bevallen van een levend kind, heeft ze het met een mutsenkoord gewurgd en het lijkje vervolgens begraven in het schapenhok. Haar man, Hilbrand Stoffers, begrijpt helemaal niets van de gang van zaken en is volkomen onschuldig. In het gezin is er al een jongetje van drie jaar oud. 

De straf, die Jantje Ruuls wordt opgelegd, is niet mals: straffe des doods, uit te voeren binnen de gemeente Groningen. Inmiddels is het echter de gewoonte, dat de Koning gratie verleent van een opgelegde doodstraf. De laatste doodstraf in ons land werd in 1860 voltrokken. Ook Jantje Ruuls krijgt gratie. De straf wordt veranderd in een tuchthuisstraf voor de tijd van twintig jaar. Jantje komt na enige tijd terecht in de inrichting 'De Leuvense Poort' in ’s Hertogenbosch. Deze inrichting doet vanaf 1872 dienst als strafgevangenis voor vrouwen. Hier overlijdt Jantje op 5 december 1876. Hilbrand Stoffers hertrouwt ruim een maand later in de gemeente Vries. Hij overlijdt in 1915 te Donderen.

Bij de foto: een sfeerbeeld van de Appelbergen met veel meer bomen dan in 1814. In 1814 was het gebied een veel opener heideveld, waarop door de markegenoten van Glimmen en Onnen vee werd geweid. Dit heideveld liep aanvankelijk vanaf de huidige Dr. Ebelsweg tot de Vogelzangsteeg. De boerderij Hoge Hereweg 6 (de voormalige molenaarswoning) vormde met enige landerijen rondom een ontgonnen enclave in dit gebied.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 30.