Garage Postema en slager Kamps

Mijn vorige column sloot ik af met de belofte terug te komen op de nieuwbouw op de locatie van het ‘huis met de pilaren’, dat laatstelijk als bijkantoor van de Handels- en Landbouwbank in gebruik was. Die nieuwbouw ziet u op de bovenstaande foto uit de privé verzameling van Henk Boomker. Dit was van 1934 tot 1964 het straatbeeld als je vanuit de Molenweg richting de Rijksstraatweg reed.

Op 22 juli 1933 krijgt aannemer Pieter Pikkert uit Groningen toestemming om de voormalige Handels- en Landbouwbank af te breken op voorwaarde, dat hij geen bouwafval deponeert op het voetpad en geen stremming van het verkeer veroorzaakt. Op 14 september van dat jaar krijgt hij vergunning voor de bouw van een garage en winkelhuis met elk een bovenwoning. Het ontwerp van dit pand is van het architectenduo Laffra en Bollen.

Na gereedkoming van het pand verkoopt Pikkert de zuidelijke helft van het pand (links op de foto) aan de jonge garagehouder Jan Machiel Postema uit Warffum. De andere helft verkoopt hij aan de slager Jan Hartsema uit Groningen. Het lijkt er echter niet op, dat Hartsema zich hier ook vestigt, want als bewoner van het pand wordt in het adresboek van 1935 de slager Jacob Kamps vermeld. Pas ruim 20 jaar later – in 1957 – wordt Jacob Kamps ook eigenaar.

In mijn vorige column en eerder in mijn column ‘Van Jan Perdok naar melksalon Bosma’, noemde ik al de persoon Meint Holtkamp. In 1925 is Holtkamp eigenaar van het gehele terrein aan de westzijde van de Rijksstraatweg tegenover de Molenweg. Dus niet alleen van het ‘huis met de pilaren’ (Rijksstraatweg 127), maar ook van de kleine arbeiderswoning noordelijk daarvan (Rijksstraatweg 125) en het pand van de melksalon (Rijksstraatweg 123). Holtkamp is afkomstig uit Kolham, zijn vrouw Frederika Everts heeft grootouders in Haren. De eerste activiteit van Holtkamp in Haren, die ik heb kunnen traceren is de koop van een boerderijtje op de Middelhorst (Oude Middelhorst 65, afgebroken) in het najaar van 1915. Of hij hier ook is gaan wonen, weet ik niet. Dat weet ik wel voor wat betreft de volgende aankoop van Holtkamp: de voormalige molenaarswoning aan de oostzijde van de Rijksstraatweg. Voor het geval u het niet weet, van 1822 tot 1885 stond de molen, die eerder in Harenermolen stond, in Haren aan de oostzijde van de straatweg. De Molenweg is naar deze molen vernoemd en dat is niet onbegrijpelijk, want de weg loopt over het terrein van de voormalige molen. Ook de woning van Holtkamp moet wijken voor de wegaanleg.

Holtkamp zoekt het vervolgens aan de westzijde van de Rijksstraatweg. Hij laat achter het ‘huis met de pilaren’ een landbouwschuur met ruimte voor veestalling bouwen en vervolgens bouwt hij in 1927 samen met Reinhard Gerhard Gelmers de dubbele woning Rijksstraatweg 123 en 125. Deze woning staat rechts op de foto. De linkerhelft is van Holtkamp, zo heeft hij verbinding met de achter Rijksstraatweg 127 staande landbouwschuur. De grond voor de rechterhelft verkoopt Holtkamp bij de bouw aan Gelmers, maar in 1952 koopt hij deze helft van de woning weer terug. Het ontwerp van de woning is van Tamme van Hoorn. Dit is een architect uit Loppersum. In het tijdschrift Stad & Lande jaargang 30, nummer 2, 2e kwartaal 2021 heeft Hans Rümke een artikel geschreven over deze architect. Rümke is nu op zoek naar meer door Van Hoorn ontworpen woningen in Haren. Gelet op de relatie, die er blijkbaar bestaan heeft tussen Van Hoorn en Holtkamp, is dat niet uitgesloten. Door de aanleg van de Molenweg zijn landerijen van Holtkamp geschikt geworden voor woningbouw. Overigens is de architect Tonnis Klaas van Eerden, van wie bekend is, dat hij in Haren veel gebouwd heeft en waarover Henk Bazuin heeft geschreven in het blad Harens Old Goud, 2020 nr. 2 van de Harense Historische Kring ‘Old Go’, een leerling van Tamme van Hoorn.

Helemaal links op de foto zien we bosschages. Dit is het terrein van het in februari 1940 afgebrande Hotel Horst (eerder bekend als De Jagtwagen). Toen de foto werd gemaakt lag dit terrein al zo’n twintig jaar braak.

In 1960 maakt de gemeente Haren plannen voor de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk, het Molenkwartier (nu bekend als Molenbuurt). Onderdeel van dat plan is de aanleg van een weg, die we nu kennen als de Vondellaan. Met de heren Kamps en Postema wordt onderhandeld over de verkoop van hun eigendommen. Postema heeft dan al de eigendom verworven van het perceel Rijksstraatweg 115. Het terrein van de voormalige villa Rezzago. De verkoop van zijn oude pand stelt Postema in staat op zijn nieuwe perceel een grotere garage te bouwen. Ook met Kamps wordt overeenstemming bereikt. In 1964 wordt het pand Rijkstraatweg 127 afgebroken. De dubbele woning Rijksstraatweg 123/125 treft niet veel later hetzelfde lot. Op het perceel van deze woning wordt de Vondelflat gebouwd. Kort daarop worden ook de woningen Rijksstraatweg 117 tm 121 afgebroken om plaats te maken voor de Hondsrugflat. En ook op het terrein van hotel Horst aan de noorzijde van de Vondellaan verrijst begin jaren zestig een nieuwe appartementencomplex. Zo ontstaat het straatbeeld, zoals wij dat nu kennen.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 46.

Het huis met de pilaren

Onlangs hield ik een lezing voor de PCOB in Haren. Altijd een leuk gebeuren en het levert interessante contacten en informatie op. Zo ontving ik naar aanleiding van mijn lezing een foto van de heer Reinhold Bos. Op de foto ‘het huis met de pilaren’. Dit huis stond aan de Rijksstraatweg in Haren op de plek waar nu de kruising met de Vondellaan is. Ik had al wel wat foto’s van dit huis (zie bijvoorbeeld mijn column ‘Van Jan Perdok naar melksalon Bosma’ van 18 augustus 2021), maar geen foto zo mooi recht van voren. Op de foto is het pand in gebruik bij Imme Bos, de grootvader van Reinhold, en was in dit pand zijn makelaars- en assurantiekantoor benevens bijkantoor van de Nederlandsche Handels- en Landbouwbank gevestigd. Deze bank is in 1931 failliet gegaan en dat betekende ook het einde van het kantoor van Imme Bos.

De geschiedenis van het pand gaat ver terug. Waarschijnlijk had Wolter Paping hier al een cichoreifabriek. En deze Wolter is overleden in 1792. Het pand komt dan in handen van zijn dochter Jantien Paping. Zij huwt in 1797 met Tonnis van Stedum en deze zet dan het bedrijf van zijn schoonvader voort. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de volgende advertentie, die Van Stedum op 1 juni 1798 plaatste in de Groninger Courant: “De ondergetekende op den 12 may, om genoegzame reden verpligt zijnde, zijn eerste knegt R. Feringa in het cichoreij fabriek te Haren, uit zijn dienst te moeten ontslaan, en van zijn fabriek te moeten verwijderen, adverteerd dat R. Feringa na den 12 may, in commissie van de ondergetekende, geen cichoreij verkogt heeft en vervolgens ook niet meer verkoopt. Haaren, den 29 may 1798. T. van Stedum”. Overigens handelt Van Stedum net als zijn schoonvader niet alleen in cichorei, maar ook in hout. In 1809 loopt het huwelijk van Jantien Paping en Tonnis van Stedum op de klippen. Tonnis verdwijnt uit Haren. Jaren later – in 1832 – vinden wij nog een vermelding van hem. Hij is dan tapper in de herberg aan de Hunzeweg bij De Groeve. Ik ben er trouwens niet helemaal zeker van, dat de cichoreifabriek achter de woning, dus aan de westkant van de Rijksstraatweg stond. Tegenover de woning, dus aan de oostkant van de Rijksstraatweg, is ook een optie.

In 1825 komt het pand in handen van de familie Pieters. Deze familie exploiteert dan al een molen en cichoreifabriek in Hemmen (nabij het huidige pand Rijksstraatweg 47 Haren). Jan Pieters vraagt vervolgens of hij zijn bedrijf inclusief een roscichoreimolen (een molen aangedreven door een rondlopend paard) mag verplaatsen naar Haren. Voor alle zekerheid meldt Pieters nog even “dat dit fabriek veel nuttigheid heeft voor de arbeiders in deze gemeente, welke door de verbouwing van de cichoreiwortelen grootendeels hun bestaan hebben en dus tot instandhouding der maatschappij”. De verplaatsing gaat door en een jaar later mag Pieters zijn pand ook nog inrichten als wijn- en koffiehuis.

De gemeente houdt vanaf 1825 bij toerbeurt gemeentehuis bij een aantal herbergiers in de gemeente. Het etablissement van Pieters mag in 1830 en 1831 ‘huis der gemeente’ zijn. Hij verhuurt daartoe een kamer aan het gemeentebestuur “om daar gebruik van te maken als gemeentelocaal, tot het houden der vergaderingen en commissiën van het gemeentebestuur, het verrigten van al zoodanige werkzaamheden als tot de uitoefening van de functiën van burgemeester, secretaris, assessoren en gemeenteraden vereischt worden en het houden van zitdagen van den gemeenteontvanger, wanneer deze ambtenaar zulks mogt verkiezen”. Ook in 1835 verhuurt Pieters een kamer aan het gemeentebestuur, maar in maart van dat jaar stopt hij met het zijn van kastelein. De gemeente verkast dan naar de naastgelegen herberg De Jagtwagen en zal daar blijven tot de bouw van een eigen gemeentehuis (op de hoek van de Meerweg) in 1887.

Ik heb wel eens gedacht, dat een godsdienstige kwestie ten grondslag lag aan het vertrek van de gemeente bij Pieters. Het lijkt er namelijk op, dat Pieters de Hervormde Kerk in die tijd de rug toekeert. Zijn familie wordt later vermeld als ‘evangelisch doopsgezind’. Het kan echter ook heel goed zijn, dat Pieters prioriteiten moest stellen in zijn werkzaamheden. In deze periode wordt namelijk ook het restant van het bedrijf in Hemmen, inclusief de daar in gebruik zijnde windkorenmolen, verplaatst naar Haren en wordt achter het pand aan de Straatweg een nieuwe molen gebouwd, die we nu kennen als de molen De Hoop.

In 1850 vraagt Pieters toestemming voor de verbouwing van zijn pand aan de Straatweg. Als je de kadastrale tekeningen ziet, die na de verbouwing zijn gemaakt, lijkt het erop, dat in dat jaar de basis is gelegd voor het huis, zoals dat op de foto staat. Omstreeks 1860 verhuist Jan Pieters naar Groningen en zet daar een deel van zijn bedrijf voort. Zijn zoon Arend Pieters neemt de zaak in Haren over. Hij wordt ook eigenaar van het ‘huis met de pilaren’. Arend Pieters is van 1872 tot 1879 raadslid van de gemeente Haren. Na 1900 bouwt de inmiddels 70-jarige Arend Pieters zijn activiteiten af. Het pand wordt binnen de familie toebedeeld aan Hendrik Jan Dobbenga, een zoon van Aaltje Pieters, de zuster van Arend. Zelf vertrekt Arend in 1908 naar zijn dochter Aaltje in Kampen. Daar overlijdt hij in 1915 op 86-jarige leeftijd.

Hendrik Jan Dobbenga woont in Groningen. Het ‘huis met de pilaren’ verhuurt hij. De bekende archeoloog Albert Egges van Giffen is rond 1918 een bekende bewoner. Vanaf 1922 is Meint Holtkamp eigenaar. Holtkamp is van huis uit landbouwer, maar is in Haren erg actief met de aankoop en verkoop van onroerend goed. Hij verkoopt het pand in 1927 aan de boven genoemde Nederlandsche Handels- en Landbouwbank. Als deze bank failliet gaat, koopt Holtkamp het weer terug, om het in 1932 wederom te verkopen. Nu aan de aannemer Pieter Pikkert. Deze breekt het ‘huis met de pilaren’ af en zorgt voor nieuwbouw, maar dat is een verhaal voor de volgende keer.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 45.

Verf en limonade uit Glimmen

Van Hein Bekenkamp ontving de Harense Historische Kring ‘Old Go’ in 2019 de gehele fotoverzameling van het Harener Weekblad over de periode, dat hij bij deze krant betrokken was. Dat was van 1967 tot en met 2005. Het uitzoeken en documenteren van de ontvangen foto’s is een hele klus. Daarbij doe je soms leuke ontdekkingen. Uit de verzameling uit het jaar 2004 kwam de bovenstaande afbeelding van een briefhoofd tevoorschijn. Hoe kwam die afbeelding daar? Ik heb Hein er nog naar gevraagd, maar ook hij wist geen goede verklaring.

Ondertussen is het briefhoofd wel erg interessant. Er staat een grote fabriek voor lakken, vernissen en standolie te Glimmen op afgebeeld. Dan wil je uiteraard weten waar die fabriek gestaan heeft. Gelukkig vermeldt het briefhoofd ook een persoonsnaam: R. Kranenburg. Wat zoeken op internet levert al snel het antwoord. Het gaat hier om Roelof Kranenburg. Hij had een drogisterij annex verfhandel aan de Steentilstraat 27 te Groningen. In de achter die straat gelegen steegjes (Kostersgang, Veulsgang en Kleine Molenstraat) had hij magazijnen.

In 1872 koopt Roelof Kranenburg een perceel grond aan de Zuidlaarderweg te Glimmen. Het perceel ligt direct rechts voorbij de spoorwegovergang in de Zuidlaarderweg. Hij laat hier vervolgens een recreatiewoning op bouwen (de huidige woning Zuidlaarderweg 1 te Glimmen). Stellig heeft de in 1870 aangelegde spoorlijn en de bouw van het station De Punt aan de huidige Parallelweg in Glimmen Roelof Kranenburg tot de keuze voor deze locatie bewogen. Hij kon in Groningen op de trein stappen en vervolgens was het dan vanaf station De Punt maar een korte wandeling naar zijn woning. De Punt was in die tijd de gangbare benaming voor het gedeelte van Glimmen ten oosten van de Rijksstraatweg. Overigens kan die reis naar Glimmen best een leuk gezamenlijk familie-uitstapje zijn geweest, want Roelofs broer Ipoje Kranenburg huurde van 1873 tot 1907 Huize Blankeweer (nu de Blankehoeve) verderop aan de Zuidlaarderweg als recreatiewoning van de familie Van Swinderen.

In Groningen beschikt Roelof Kranenburg niet over de mogelijkheid verf te produceren. Daarom koopt hij in 1876 het perceel naast zijn recreatiewoning in Glimmen en bouwt hier vervolgens een fabriek op. Dit is de fabriek die op het briefhoofd te zien is met rechts de recreatiewoning. Het huidig adres van dit pand is Zuidlaarderweg 3 te Glimmen (nu in gebruik bij Walter Hoogesteger) en de contouren van de fabriek zijn nog herkenbaar aanwezig. In 1904 brengt Roelof Kranenburg zijn bedrijf onder in de NV Groningsche Fabriek van Lakken-Vernissen. Omstreeks 1910 verkoopt Kranenburg het bedrijf aan Elias Philipstein. Dit betekent het einde van de fabriek in Glimmen. In Groningen blijft het bedrijf, dat in 1955 wordt omgedoopt in Kranenburg Verf NV, bestaan tot 1960. Dan volgt een verhuizing naar Apeldoorn.

Het fabriekspand aan de Zuidlaarderweg wordt in 1910 gekocht door Jans Koops. Hij is landbouwer en handelt in aardappels. Zijn zoon Gerrit Koops volgt hem in 1929 op. De periode Koops loopt door tot 1969. In dat jaar verkoopt Johanna de Groot, de weduwe van Gerrit Koops, het pand aan de aannemer Jan de Jong uit Groningen. Willem Rutgers vermeldt in zijn boek ‘Glimmen, dorp tussen Drentse A & Hondsrug’ over het gebruik van het pand na 1910 het volgende: “J. Koops runde er een aardappelhandel en boerderij. De fa Hammings heeft een deel van de schuren gebruikt als jam- en limonadefabriek. Ook is een van de gebouwen een tijd gebruikt als gymnastieklokaal voor de leerlingen van de openbare school. Tijdens de oorlog vorderden de Duitsers de ruimte voor het inkwartieren van soldaten. Na de oorlog zaten de Canadezen er een tijdje in“.

De opmerking van Rutgers over de jam- en limonadefabriek brengt ons op een ander spoor. Het zal hier gaan om het bedrijf Fructus, dat is opgericht door Wibrandus Gerhardus Reddingius uit Ten Boer. Een eerste advertentie van dit bedrijf lezen we in 1916. “Te koop: rabarber, roode en witte bessen, frambozen, morellen enz. in elk kwantum, door de conservenfabriek ‘Fructus’ te de Punt”. In de jaren daarna timmert het bedrijf behoorlijk aan de weg en is Fructus bijvoorbeeld aanwezig op beurzen te Zwolle en Utrecht. In wervende advertenties worden de producten uit Glimmen aangeprezen: “Vraagt uwen winkelier onze bekende alcoholvrije Rhum Punch. Dit absoluut alcoholvrije product is aangenaam van smaak en kan door oud en jong, zoowel warm als koud, bij wijze van limonade gebruikt worden”. In 1919 staat in een advertentie zelfs “leverancier van het Koninklijk Huis”. Met de productie van limonadesiroop lijkt men in Glimmen net iets eerder begonnen dan bij de bekende fabrieken van C. Polak (Ranja in 1921) en Hooghoudt (Valencia in 1922).

Vanaf circa 1920 is het bedrijf Fructus eigendom van Jacobus Kornelis Hammingh, een zoon van de exploitant van het bekende café Hammingh op de Reitdiepdijk te Garnwerd, en maakt het bedrijf onderdeel uit van ‘NV J. K. Hammingh’s Vereenigde Fabrieken van Vruchtenconserven, Alcoholhoudende en Alcoholvrije Dranken’. Rutgers verwijst in zijn boek naar deze periode. Tot wanneer Fructus in Glimmen actief is geweest, is nog niet duidelijk. Het zal naar mijn gevoelen niet lang geweest zijn. Het bedrijf van Hammingh is in 1933 failliet verklaard. Het was toen gevestigd aan de Helperwestsingel 88 te Groningen.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 44.

De raadsels rond Uuntje

Dit verhaal gaat over Uuntje. U zult begrijpen, dat het even duurde voordat ik door had, dat de eerste letter van de naam inderdaad een U was. Uuntje is dan ook geen erg bekende naam. Een snelle telling in www.allegroningers.nl leert, dat er de afgelopen 300 jaar in onze provincie elf vrouwen zijn geweest met deze voornaam. Uuntje is een Platduitse vorm van Antje.

Maar hoe kom ik nu bij Uuntje? De start ligt voor mij bij een brief van 25 juni 1853 van burgemeester Jorissen van Haren aan de commissaris des Konings in de provincie Groningen. De burgemeester vraagt in die brief aan de commissaris om bij het rijk te willen bevorderen, dat de diakonie der Nederlands Hervormde gemeente te Noordlaren f.8,80 ontvangt als vergoeding voor de verplegingskosten, die zijn besteed aan een vreemdelinge genaamd Uuntje Jakobs. Helaas, zo schrijft Jorissen kan men over deze vreemdelinge geen verdere gegevens verstrekken. Dat is wel erg summier. Het is dan ook logisch, dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van zo’n declaratie niet bereid is tot betaling over te gaan.

Na wat heen en weer schrijven tussen de burgemeester, de minister, de commissaris en de diakonie kan de burgemeester op 3 september 1853 nog wat aanvullende informatie over Uuntje aan de commissaris verstrekken. “Dat Uuntje Jakobs den 27 april 1852 in hoog zwangeren staat en ziek zijnde te Noordlaren aangekomen, den 3 mei 1852 van daar vertrokken, slechts heeft kunnen opgeven hetgeen wij reeds eerder de eer hadden aan u mede te delen. Daaruit is gebleken, dat zij eene vreemdelinge was en hier te lande nergens te huis behoorde”.

Dat jaartal 1852 is geen vergissing. De boekhoudend diaken te Noordlaren heeft pas ruim een jaar na het voorval een declaratie ingediend. Uiteraard is de commissaris daar zeer ontevreden over, maar burgemeester Jorissen springt voor de persoon in de bres. “De reden waarom van de opneming in alimentatie dier vrouw eerst na een tijdsverloop van 13 maanden is melding gemaakt, moet alleen aan de weinige bedrevenheid in administratie en wettelijke zaken van den overigens achtenswaardige en nauwgezette boekhoudend diaken te Noordlaren worden geweten”.

Pas uit een brief van 8 oktober 1853 van de burgemeester aan de commissaris des Konings wordt mij duidelijk, dat Uuntje niet zomaar even in Noordlaren is geweest. Ze is er ook bevallen! Jorissen deelt namelijk mee, “dat te Noordlaren geen voor de dienst der armen bezoldigde verloskundige is en om die reden de hulp voor Uuntje Jakobs van het naburige Zuidlaren is moeten ingeroepen worden, ten koste van dengene dien het zoude aangaan”. In Haren is inderdaad een vroedvrouw aangesteld om bij bevallingen te assisteren en die vroedvrouw ontvangt net als de huisarts een jaarlijkse vergoeding om haar diensten gratis te verlenen aan de armen. Maar ja, Noordlaren-Haren en omgekeerd is een heel eind. Vandaar, dat men in Noordlaren veel meer op Zuidlaren is georiënteerd. Dat was vroeger niet anders dan nu. Maar de vroedvrouw te Zuidlaren stuurt voor haar diensten uiteraard wel een rekening. En het is die rekening, die het grootste deel uit maakt van de declaratie waarom het gehele verhaal rond Uuntje begonnen is.

Nu kan ik iets doen, waarvan ik verwacht had, dat burgemeester Jorissen het ook al lang gedaan zou hebben en waardoor hij mij eigenlijk een beetje op het verkeerde been heeft gezet: kijken in het gemeentelijk geboorteregister. Maar misschien is die opmerking richting Jorissen wel niet helemaal eerlijk en zijn de geboorteakten opgemaakt door zijn voorganger Rudolf de Sitter voor mij nu veel eenvoudiger te raadplegen dan door Jorissen zo’n 175 jaar geleden. In ieder geval levert een zoektocht in het geboorteregister op www.allegroningers.nl mij al snel het gewenste resultaat op. Op 29 april 1852 doet David de Goede, arbeider, oud 66 jaar, wonende te Noordlaren, aangifte, dat op 28 april 1852 des nachts te een uur te Noordlaren een kind is geboren van het vrouwelijk geslacht, genaamd Maria, van welk kind de moeder is Uuntje Jakobs Tenhof, wonende te Ommelanderwijk, gemeente Veendam. Getuigen bij de aangifte zijn Roelf Koops, landbouwer, oud 47 jaar, wonende te Noordlaren en Jannes Schut, smid, oud 32 jaar, eveneens wonende te Noordlaren. Die akte levert heel wat meer informatie op, dan tot nu toe uit de briefwisseling van de burgemeester bleek. Met de achternaam Tenhof kunnen we verder zoeken.

Die zoektocht naar meer gegevens van Uuntje levert op, dat ze rond 1823 is geboren in Simonswolde in het Koninkrijk Pruisen. Ze is dus inderdaad een vreemdelinge. Maar het is niet zo, dat ze in ons land verder onbekend is. Ze heeft op 22 januari 1849 te Groningen ook al een dochter gekregen, genaamd Louiza. Het is aannemelijk, dat ze dan al een relatie heeft met Friedrich Wilhelm Christoph Ludwig Schröder, geboren in 1815 in Bega, eveneens in het Koninkrijk Pruisen. Op 25 maart 1871 trouwt Uuntje te Slochteren met Friedrich. Bij dat huwelijk erkent Friedrich zes kinderen, waarvan Louiza, en Maria de oudste zijn. De te Noordlaren geboren Maria gaat vanaf dan dus verder door het leven als Maria Schröder. Ze trouwt in 1876 met de landbouwer Hindrik Rijzenburg te Siddeburen en overlijdt daar in 1929. Uuntje overlijdt in 1897 te Slochteren. Naar ik vermoed in een instelling voor huisvesting van hulpbehoeftigen, want de aangifte van overlijden wordt gedaan door Sjabbo Buitenkamp in zijn kwaliteit van gestichtsvader.

En waar in Noordlaren is Uuntje nu bevallen? Zekerheid daarover heb ik niet, maar het meest waarschijnlijk is, dat de bevalling heeft plaats gevonden in het armenhuis van de diakonie. Dat armenhuis was toen gevestigd in een boerderijtje aan de Lageweg 7 (tegenover de Osdijk) te Noordlaren. In 1953 is dit boerderijtje afgebroken ten behoeve van de aanleg van het fietspad langs de Lageweg. De locatie is nog wel herkenbaar (zie de foto). In 1859 heeft de diakonie iets noordelijker een nieuw werkhuis gebouwd. Dit huis (nu Lageweg 1 en 3 te Noordlaren) staat er nog. David de Goede en Jannes Schut wonen in 1852 aan de Lageweg 15 en 17 en zijn als naaste buren – tussenliggende huizen waren er toen nog niet - op grond van de nabuurplicht verplicht de aangifte van geboorte te doen. Over de betrokkenheid van Roelof Koops heb ik nog geen duidelijkheid.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 43.

Old Go

De Harense Vereniging Old Go is opgericht in januari 2010 en houdt zich bezig met de geschiedenis van de voormalige gemeente Haren. De gemeente bestond uit de dorpen Haren, Glimmen, Onnen en Noordlaren en de buurtschappen Essen, Dilgt en Hemmen. Op 1 januari 2019 is de gemeente Haren in het kader van de gemeentelijke herindeling samengegaan met de gemeenten Groningen en Ten Boer. 

Gevarieerd aanbod

Lezingen en excursies

Organisatie Open Monumentendag 

Uitgave van Harens Old Goud, 2x per jaar, een tijdschrift met een breed aanbod van artikelen en oude foto's

Publicaties in Haren de Krant

Presentatie en promotie op evenementen.

Info-centrum

Kom eens langs in het Info-centrum van Old Go! Elke eerste donderdag van de maand kunt u van 14.00 tot 16.00 uur bij ons terecht voor inzage in ons archief. We hebben een luisterend oor voor uw (oude) verhalen met of zonder foto’s. Voor vragen en informatie kunt u mailen naar info@oldgo.nl. Het adres is: Oude Brinkweg 12A, Haren; de trap op naar boven.   

Contact

Wilt u lid worden?  Zie ons aanmeldingsformulier. 

Heeft u een algemene vraag of opmerking:  info@oldgo.nl

Wilt u een artikel of foto's aanbieden voor Harens Old Goud: redactie@oldgo.nl

Heeft u een vraag of opmerking over de website: webmaster@oldgo.nl